‘Een gevecht, ook met mezelf’

Foto © Sam Rentmeester

Foto © Sam Rentmeester

Met zijn talent en zijn soms frontaal met de tijdgeest botsende visie drukte Jo Coenen een stempel op de architectuur. Ook als gedreven hoogleraar op de faculteit Bouwkunde wist hij met zijn ideeën veel in gang te zetten.

Was u al op jonge leeftijd geïnteresseerd in bouwkunst?
“Sommige gebouwen in mijn omgeving intrigeerden me. In de jaren vijftig namen mijn ouders me mee om kleren te kopen in het Glaspaleis, een warenhuis in Heerlen. Met Wiel Arets heb ik dat meesterlijke gebouw zo’n veertig jaar later – toen het door rampzalige renovaties al hopeloos verminkt was – gerestaureerd en getransformeerd tot een cultureel centrum. Als 8-jarige jongen was ik diep onder de indruk van de entreehal.
Natuurlijk besefte ik toen nog niet wat architectuur inhoudt. Dat kwam geleidelijk. Ik heb later ook wel eens gedacht: waar ben ik ooit aan begonnen?” (lacht)

Spijt van uw beslissing om architect te worden? Dat zal veel mensen verbazen.
“Het is wel een gevecht geweest, tot nu toe. Ook met mezelf, natuurlijk. Maar de conflicten kwamen vooral voort uit het feit dat ik als architect ook vakman wilde zijn. Je schept als architect tenslotte voorwaarden voor het welbevinden van mensen, en dat brengt verantwoordelijkheden met zich mee. Een heel eenvoudig uitgangspunt, maar als je vasthoudt aan dat principe levert dat ook moeilijkheden op.”

Moeilijkheden?
“Ik kan dat met een praktisch voorbeeld illustreren. Als je ontdekt dat jouw ontwerp voor een appartementengebouw zo dreigt te worden uitgevoerd dat er in de ontvangsthal nog geen sprietje daglicht valt, dan ga je hemel en aarde bewegen om een raam terug op die plek te krijgen. Maar als je in bouwvergaderingen praat over humane architectuur en het belang van daglicht in een gebouw, dan vinden sommige gesprekspartners dat ideologisch gedram. En de derde keer dat je er over begint, wordt je te kennen gegeven dat je die plattegrond maar beter snel weer kan aanpassen – geen raam, dus – en dat weigeren betekent dat je misschien niet betaald krijgt. Ik heb tijdens zulke discussies veel leergeld betaald. Letterlijk. Als je deze opvatting over architectuur huldigt, zul je niet snel rijk worden.”

Waarom? Omdat je dan een ‘moeilijke’ reputatie krijgt die opdrachtgevers afschrikt?
“Dat speelt een rol. Maar vooral omdat je tijdens het bouwproces steeds opnieuw probeert dat raam in de plattegrond te duwen, op een manier die voor alle partijen aanvaardbaar is. Dat betekent dat je wekenlang aan het puzzelen bent. En een opdrachtgever kan dan achteraf zeggen: daar heb ik nooit om gevraagd, voor die uren betaal ik je niet! Over die praktijk van alledag wilde ik studenten vertellen. Omdat ik weet dat jonge architecten soms denken: ik word beroemd, en mij overkomt zoiets dan niet. Maar dat is vaak een illusie.”

De mening van een gerenommeerde architect legt geen gewicht in de schaal?
“Niet overal. Je krijgt ook te horen: wij moeten met dat product van jou geld verdienen. Het is plattegronden van architecten verkopen alsof het closetrollen zijn. Zo platvloers heb ik het tegenover studenten geformuleerd. Om ze duidelijk te maken met wat voor soort opdrachtgever ze straks ook te maken kunnen krijgen.”

Verschilt Nederland daar van het buitenland?
“Ja. In landen als Duitsland, Zwitserland, Spanje en zelfs België is het respect dat ik als architect krijg malen groter dan in Nederland. Als je zoiets in een Nederlandse bouwvergadering vertelt, maak je je niet geliefd. Dan ben je arrogant.”

Zou u in deze tijd nog voor de architectuur hebben gekozen?
“Nee.” Coenen valt even stil. “Of laten we zeggen: misschien. En ik zou wel getwijfeld hebben.”

U heeft naast gebouwen ook stadswijken ontworpen, zoals Céramique in Maastricht en Wilhelmsburg Mitte in Hamburg. Hoe was het om gevraagd te worden een complete stad te ontwerpen?
“Die stad – een satelliet van de Indiase metropool Bangalore – is uiteindelijk niet gebouwd. Er ontstonden problemen rond grondspeculatie en de onteigening van boeren, en de premier die de drijvende kracht was achter het project kwam politiek ten val. Maar het was een interessante oefening om op die schaal te denken. Mijn ontwerp, geïnspireerd door het gevarieerde stadsbeeld van Amsterdam, was rudimentair. Het ging om een gigantisch project: in vijf jaar moest een stad met één miljoen inwoners uit de grond worden gestampt. Aan die deadline viel niet te tornen.
En zo kwam ik in conflict met mezelf, want mijn ontwerp dreigde door die tijdsdruk een in beton gegoten blauwdruk te worden, zonder ruimte voor aanpassingen en nieuwe inzichten.”

U vertelde in uw afscheidsrede dat u hebt besloten om als architect uiteindelijk niet in landen als China en India te werken, omdat u als Europeaan die culturen onvoldoende doorgrondt. Zijn niet juist Aziatische megasteden gebaat bij de stedenbouwkundige visie van een buitenstaander?
“Ik heb de deur naar Azië niet met een klap dichtgegooid. Ze zouden daar onze kennis en ervaring goed kunnen gebruiken, en voor ons zou een bureau in Azië interessant zijn. Maar als we daar ooit gaan werken, moet dat in nauwe samenwerking met lokale partners gebeuren: architecten, stedenbouwkundigen, hoogleraren op bouwkundefaculteiten. Die begrijpen de context veel beter.”

Als hoogleraar vond u lesgeven aan de individuele student het mooiste aspect van uw werk. Waarom?
“Met boeken, readers, hoorcolleges, enzovoorts kun je niet alle aspecten van het vak overbrengen. Ontwerpen draait niet louter om techniek, het is ook een kwestie van attitude. Als ontwerper moet je voortdurend afwegingen en keuzes maken. Daar worstelt elke student mee. Elke ontwerper, durf ik zelfs te zeggen. Het is belangrijk dat de student mentale ondersteuning krijgt bij die zoektocht. Op bepaalde cruciale beslismomenten in het ontwerpproces moet de student over een ravijn springen. En dan heb je een mentor nodig die dat proces begrijpt en zegt: jij gaat niet vallen. Ik help je. Dat is de essentie van onderwijs, van didactiek. Dat heb ik van mijn vader geleerd.”

U noemde uw vader in uw afscheidsrede: ‘een politiek en sociaal-maatschappelijk geëngageerde leraar didactiek’. Waar gaf hij les?
“Mijn vader gaf les op wat in mijn jeugd de kweekschool heette. Hij onderwees dus mensen die later zelf leerlingen moesten onderwijzen. Dan ging hij achterin de klas zitten als een studente – het was een dameskweekschool – les moest geven. Om te beoordelen hoe ze omging met de kinderen, of de kinderen rustig bleven, hoe ze kennis overdroeg, of ze het tempo er in hield… Het didactische handwerk dat ik van thuis heb meegekregen. Zelf had mijn vader gestudeerd aan de Katholieke Leergangen in Tilburg – daar kreeg je les van hoogleraren, uit lijvige boeken. Filosofie, godsdienstonderwijs,, pedagogiek – en alles met een sterk sociaal-maatschappelijk engagement. Ik bestudeer nu zijn afstudeerscriptie. Een studie naar Limburgse mijnwerkersgezinnen en de gevaren van armoede, ook geestelijke armoede. Hij wilde uitzoeken met welke methodes je die armoede het beste te lijf kon gaan.”

Een geëngageerd milieu dus – en u hoorde als jongen de verhitte discussies?
“Natuurlijk, heel vaak. Ik denk dat bij ons thuis op een avond belangrijke kiemen zijn gelegd voor de Politieke partij Radicalen (PPR), een afscheiding van de KVP die later is opgegaan in GroenLinks. Ik wil niet sentimenteel doen, maar ik ben opgegroeid in een heel kleine woning in een
Limburgse mijnwerkerskolonie. Voor onze deur was een mijnspoor, en elke tien minuten kon je een lading kolen uit de Staatsmijn Emma langs horen donderen. Echt donderen, keihard.”

Schetsen maken is voor u een essentieel onderdeel van het ontwerpproces. Kon uw vader ook goed tekenen?
“Hij kon meeslepend vertellen en kalkte dan met verschillende kleuren krijt de prachtigste illustraties op het schoolbord. Dat ben ik op een gegeven moment ook gaan doen, tekenen op het bord. Mijn vader heeft me trouwens jarenlang ondersteunende lessen didactiek gegeven toen ik begon met doceren. Hij leerde me dat je goed in de gaten moet hebben wie voor je neus zit. Kan die toehoorder het lesniveau aan? En hij hamerde op respect voor mensen die misschien niet alle werkwoorden correct kunnen vervoegen, maar wel geboren vakmensen zijn, met een praktische intelligentie. Een mens is een vat vol onvermoede talenten en mogelijkheden, en het is jouw taak die talenten aan te wakkeren! Zo zag hij dat.”

JoCoenen_8276_SITE

CV
Prof.dr.ir. Jo Coenen (Heerlen, 1949) studeerde architectuur en stedenbouw aan de TU Eindhoven. In 1980 richtte hij een eigen architecten-bureau op. Als hoogleraar is Coenen onder meer verbonden aan de Technische Universiteit van Karlsruhe. In 2001 werd hij hoogleraar public buildings in Delft. Enkele jaren later zou hij daar een invloedrijke onderzoeksgroep oprichten: modificatie, interventie en transformatie. Coenen verwierf ook faam als een vernieuwende Rijksbouwmeester. Zijn architectenbureau in Maastricht opende studio’s in Berlijn (1999), Amsterdam (2002), Milaan (2007) en Bern (2012).

Sinds 2014 is hij directeur en curator van de IBA Parkstad, die met duurzame projecten een impuls wil geven aan Coenens geboortestreek.

Blijf op de hoogte van het onderzoek

Ontvang de Delft Integraal nieuwsbrief 4 keer per jaar