‘Ik heb kunnen pionieren’

Van het eerste busje Indonesische studenten tot de 1500 internationale masterstudenten die het afgelopen jaar instroomden. Marietta Spiekerman vertelt hoe de TU in drie decennia veranderde van een universiteit met voornamelijk een nationale rol naar een internationale technische universiteit van wereldfaam.

MarietteSpiekerman_1921_SITE

Hoe internationaal was de TU toen u er 36 jaar geleden kwam werken?
“Ik ken de TU vanaf het begin al als internationaal. Samen met de international guest coördinator verzorgde ik de opvang van buitenlandse gasten. Er waren veel Indonesische studenten, die vooral voor luchtvaart- en ruimtevaarttechniek (L&R) kwamen. Alle opleidingen waren toen nog in het Nederlands.”

Waarom kozen ze juist voor die studie?
“Omdat de decaan veel in Indonesië zat voor de vliegtuigfabriek in Bandung. Het ministerie van onderwijs wilde Indonesische studenten naar Nederland halen, als opening om ook politiek gezien weer met elkaar in contact te komen. Rond 1985 kwam er plotseling een buslading studenten die binnen een maand moesten worden opgevangen in Delft. Er was geen huisvesting, al heb ik toen van alles geprobeerd, tot aan de school voor schipperskinderen toe. We hebben ze hier een week lang ergens in een jeugdherberg gehad. Uiteindelijk hebben we ze het eerste half jaar gehuisvest in Twente, want daar was de halve campus leeg en hier zaten we tot aan het plafond.”

Was er toen al te kort aan huisvesting?
“Ja. Het was een heel circus om ze naar Twente te brengen. Het was vlak voor Koninginnedag en ik dacht: ze kunnen daar straks niets kopen, omdat alles gesloten is. Toen heb ik Albert Heijn gewaarschuwd dat er een bus met 75 Indonesiërs aankwam. Die jongens en meisjes gingen met pakken ijs in de bus naar Twente. We hadden een leuk etentje bedacht, maar
tweederde bleef in de bus zitten. Het bleek dat die dag de ramadan was begonnen. Dat was toen nog niet zo bekend.”

Waren er ook andere buitenlanders aan de TU?
“Jazeker, er kwamen toen al mensen op een research fellowship binnen. Postdocs die een tijdje onderzoek deden. Van het college van decanen mochten er tien fellows per jaar aan de hele TU zijn. Veel te weinig natuurlijk. Ik heb dat kunnen uitbreiden door tegen faculteiten te zeggen dat als ze geld stortten in de pot die ik had voor research fellows, ze die zelf konden uitnodigen voor zes of negen maanden. Dat was reuze creatief boekhouden. Dan werd er door bedrijven geld gestort en konden wij iemand plaatsen met de status van fellow. Uiteraard wel onder dezelfde kwaliteitsvoorwaarden.”

Waar kwamen die fellows vandaan?
“Uit de hele wereld: China, Rusland, India en de Verenigde Staten. Rector Hans Dirken had het idee om een international office te starten en zei: ‘Daar moet jij in.’ Ik was toen griffier van het college van decanen en wist niet of dat international office wel wat voor mij was, maar toen het Erasmusprogramma in 1986 werd gelanceerd ben ik daar meteen in mee gegaan. De functie beleidsmedewerker internationalisering bestond helemaal niet. Ik heb echt kunnen pionieren. Ik surfte mee op die golf van internationalisering.”

Wat was het idee achter het Erasmusprogramma?
“Het was een project vanuit Brussel waarbij studenten met een beurs in staat werden gesteld om zes tot negen maanden onderwijs te volgen of een project te doen bij een andere universiteit. Het leuke was dat de voertaal vanaf het begin Engels was. Je had er niet eindeloos veel tolken en vertalers tussen zitten. Het ging erom studenten beter te laten concurreren op de internationale arbeidsmarkt, en om die arbeidsmarkt beter inzicht te geven in de opleidingen van de verschillende landen. Dat is het startschot geweest om opleidingen inhoudelijk te gaan vergelijken. Wat is het niveau? Iedereen had een ander systeem. Het was aanleiding voor veranderingen, bijvoorbeeld op het gebied van studiepunten.”

Was er veel animo voor die beurzen?
“Ja, dat liep direct. De rector in Leuven nam het initiatief om het zogeheten ‘Leuven netwerk’ te vormen met de TU Delft, Imperial College, RWTH Aachen en het Parijse École des Mines. Dat was een kerngroep waarvan je wist: dat is kwaliteit. Gezamenlijk kon je Erasmus-verklaringen aanvragen. Van het begin af aan stelde de TU ook geld beschikbaar voor onze eigen studenten, want de universiteit vond die buitenlandervaring enorm positief. Ten opzichte van de andere Nederlandse universiteiten stimuleerde Delft dat nogal. Dat gebeurde op basis van persoonlijke contacten van wetenschappers, vaak voor projectwerk. De universiteit was al erg internationaal: rond de zeven procent van onze studenten kwam uit het buitenland.”

Hoe kwam dat?
“We kregen bijvoorbeeld opeens nieuwe instroom uit Noorwegen. Dat land had één technische universiteit, in Trondheim, en wilde uitbreiden. De overheid wilde er niet nog een, want dat was te kostbaar. Het bedrijfsleven wilde meer ingenieurs en ging fondsen beschikbaar stellen om Noorse studenten naar Schotland en Engeland te sturen. Rector Ben Veltman vond dat ze ook naar Nederland moesten komen en ik moest dat in Noorwegen verkopen. Ik ben enkele winters een week, door sneeuwstormen ploeterend, in kleine vliegtuigjes van hot naar her gevlogen om leerlingen op middelbare scholen en vooral hbo’s te vertellen dat ze naar Delft moesten komen.”

MarietteSpiekerman_1984_SITE

Een volgende stap naar internationalisering aan de TU was de invoering van Engelstalige masterprogramma’s, in 1996.
“We waren naar Indonesië geweest en daar werd gevraagd of we masteropleidingen konden geven. We hadden toen nog een vijfjarig curriculum en geen bachelor-masterstructuur. Ik ging bij alle faculteiten langs om te vragen wat ze aan
Engelstalig onderwijs wilden doen, maar niemand wilde een curriculum voor een masterinstroom. Dat heilige curriculum van vijf jaar kon niet in tweeën worden geknipt. Ik had al vaker gepleit voor een masterprogramma en kreeg opdracht te kijken of dat kon.”

Hoe ging dat?
“Ik wist door mijn ervaring bij het Institute of Social Studies wat het was om een werving- en selectieproces op te zetten. Op de faculteiten moest ik mensen zien te vinden die bereid waren daar in mee te gaan. L&R zag dat zitten vanwege de contacten met Indonesië. Elektro had een terugloop aan studenten en wilde ook wel. De decaan bij scheikundige technologie vond het gewoon leuk. Ik maakte een ontvangstprogramma om studenten vooraf in de zomermaanden bij te spijkeren. We hadden halverwege het eerste jaar een go/no go-moment. We hebben van het begin af aan gezegd dat al onze studenten hetzelfde eindniveau moesten hebben. Het eerste jaar hadden we dertien studenten, nu jaarlijks meer dan 1500 masterstudenten.”

De TU liep dus vooruit op de introductie van de bachelor-masterstructuur, in 1999.
“Ja, wij waren de eerste universiteit in Nederland die de bachelor-masterstructuur volledig had geïntegreerd. Daar ben ik projectleider van geweest. Ik deelde wel de zorg van onze beste partners in Europa dat we geen Amerikaanse toestanden moesten krijgen, waarbij 75 procent van de studenten na hun bachelor stopte. We wilden afspraken met de industrie dat ze niet onze studenten gingen wegtrekken na een bachelor. In het licht van die discussie werd toen de Idea League opgericht: een samenwerkingsverband tussen Imperial College, Delft, ETH Zürich en Aken. Ik zat namens de TU vanaf het begin in het operations board en wilde onze curricula met elkaar kunnen vergelijken op inhoud en niveau, met als doel te kijken of we echt gelijkwaardig waren. Dat bleek zo te zijn. We accepteren elkaars studenten als eigen.”

‘We wilden afspraken met de industrie dat ze niet onze studenten gingen wegtrekken na een bachelor’

Wat doet de Idea League verder?
“We begonnen in 2005 met een joint master geophysics waarbij studenten een half jaar in Delft, een half jaar in Aken en een half jaar in Zürich studeren en dan mogen kiezen waar ze afstuderen. En recent nog heb ik als projectleider een nieuw honours programma met de Idea League partners op de rails gezet. (Zie pagina 11, ‘In beeld bij Brussel’ – red.)

Wat heeft de internationalisering de TU gebracht?
“Ik denk dat we ons daardoor meer internationaal profileren. Als je goede buitenlandse studenten trekt, krijg je ook goede buitenlandse staf. Dat komt weer ten goede aan de kwaliteit van ons onderwijs. Ik denk dat de TU hier alleen maar enorm aan kwaliteit heeft gewonnen.”

MarietteSpiekerman_1851_SITE

CV

Marietta Spiekerman (Den Haag, 1950) begon haar loopbaan bij de studentenregistratie van het Institute of Social Studies dat opleidingen verzorgde voor studenten uit ontwikkelingslanden. Na vijf jaar koos ze voor een baan als opleidingsfunctionaris bij het ministerie van landbouw. In 1975 ging ze met haar man, wetenschappelijk medewerker micro-elektronica aan de TU, een jaar naar de Verenigde Staten. Bij terugkomst ging ze ook bij de TU werken. Eerst als assistent van de international guest coordinator, later als griffier van het college van decanen en uiteindelijk als senior beleidsmedewerker internationalisering. Ze nam in september afscheid van de TU.

Blijf op de hoogte van het onderzoek

Ontvang de Delft Integraal nieuwsbrief 4 keer per jaar